Shield
Stendal, Sachsen-Anhalt / Altmark

Meester en gezel aan het Uenglinger Tor

Tier 0+ - Publiek 4 min Sage
Flag
Advertentie
OthalaOthalaHandgebouwde websites die je zelf bezit

Wie in Stendal vanaf de Nordwall omhoogkijkt, ziet een toren die van verre op een man lijkt: twee zware benen, een borst vol witte schilden, en op het hoofd een kroon. Het Uenglinger Tor, 27,5 meter baksteen, geldt na het Holstentor van Lübeck als een van de mooiste middeleeuwse stadspoorten van Noord-Duitsland. En de Stendalers vertellen er al eeuwen een verhaal bij dat met een hamer eindigt.

HW HW

1 Een stad van laken en baksteen

Markgraaf Albrecht de Beer stichtte omstreeks 1160 in zijn dorp Stendale een markt. Daarmee begon de opkomst van de belangrijkste stad van de Altmark. Stendal leefde van tussenhandel en van lakenweverij, en dat geld werd zichtbaar in baksteen: de Dom, de Marienkirche, het raadhuis, en een gesloten stadsmuur met vier poorten en drie torens.

Van 1358 tot 1518 was Stendal aantoonbaar lid van de Hanze. In 1518 trad de stad samen met Berlijn, Brandenburg, Frankfurt an der Oder en Salzwedel weer uit het verbond. Van de vier poorten staan er nog twee. Het Tangermünder Tor aan de zuidoostrand werd in de dertiende eeuw begonnen en geldt als het oudste poortgebouw van een stadsversterking in Noord-Duitsland; omstreeks 1440 kreeg het zijn bovenbouw, en met 21 meter is het de lagere van de twee.

Het Uenglinger Tor is vanboven jonger en vanonder ouder. Het onderstuk werd tussen 1288 en 1306 uit gehouwen veldstenen en gebakken stenen opgetrokken, toen de voorstad van de Petriparochie binnen de wal werd getrokken. Pas tussen 1450 en 1460 kreeg de toren zijn ronde opzetstuk, zijn rijke nissenwerk en de vier uitkragende hoektorentjes. Als bouwmeester wordt Steffen Boxthude vermoed. De poort opende de weg naar het westelijk gelegen dorp Uenglingen; daaraan dankt hij zijn naam.

2 Meester en gezel

De sage die de Stendalse schoolkinderen al eeuwen te horen krijgen, verbindt de twee poorten met elkaar. De oude bouwmeester had het Tangermünder Tor gemaakt, een werk waar men van heinde en verre naar kwam kijken. Bij die bouw leidde hij ook een leerling op, een jongen die vlijtig werkte en alles onthield wat hem werd voorgedaan.

Toen de raad besloot dat er aan de noordwestkant een nieuwe poort moest komen, droeg de meester zelf zijn leerling voor als bouwmeester. Het was een gebaar van vertrouwen, en de raad nam het aan. De gezel begon te metselen. Hij zette torentjes op de hoeken, hij liet witte pleisterschilden in het rode baksteenwerk aanbrengen, en hij kroonde het geheel met een rond opzetstuk waar niets in de Altmark tegenop kon.

Toen de steiger viel, zag de oude meester wat hij had aangericht. Zijn leerling had een prachtiger poort gebouwd dan hij zelf ooit had gemaakt. Dat kon hij niet verdragen. Na de voltooiing sloeg hij de gezel dood met een hamer. In een andere lezing duwde hij hem van de torenrand, en zou op de jaardag nog altijd een bloedvlek op de stenen verschijnen. Sommigen beweren dat men in donkere nachten de moordenaar als geraamte boven op de poort ziet staan, de hamer in de hand, tevergeefs bezig het werk van zijn leerling af te breken.

3 Het kruis voor de poort

Aan de sage hing een steen. Nog in 1840 stond voor het Uenglinger Tor een stenen kruis, precies tegenover het Gertraudenhospital, aan de barrière die om de torenzwinger heen liep. Volgens de overlevering moest de meester het zelf oprichten op de plek waar het lichaam was neergekomen — een zoenkruis, zoals er in de Altmark meer hebben gestaan. Die steen gaf de sage haar houvast. Na 1895 is hij bij de verbreding van de doorgang vernield.

De Stendalse predikant Ernst Weihe schreef in 1840 een huiveringwekkend gedicht over het geval, «Meister und Gesell»: voor de poort ligt een kruis van steen, en bij zilveren maanlicht is het er niet pluis. In 1994 hervertelde Hanns H. F. Schmidt de oude poortensage voor een nieuwe generatie.

Stendal heeft meer om over te vertellen. Voor het raadhuis staat sinds 1525 de Roland, met sokkel 7,80 meter hoog, zes centimeter kleiner dan die van Bremen maar met het langste zwaard van alle Rolanden; achter op zijn steunzuil herkennen de Stendalers Till Uilenspiegel. En in een schoenmakershuis van deze stad werd op 9 december 1717 Johann Joachim Winckelmann geboren, die de archeologie tot wetenschap zou maken. Wie vandaag in de zomer de trap van het Uenglinger Tor beklimt en tussen de kantelen over de daken kijkt, staat op het werk van de gezel. De meester ligt onder geen enkele steen meer.

Bron: Stendalse poortensage; steenkruisoverlevering bij Ernst Weihe (1840) en Walter Saal, «Steinkreuzsagen aus Sachsen-Anhalt» (1992); hervertelling door Hanns H. F. Schmidt (1994).
Wist je dat? Het Uenglinger Tor is 27,5 meter hoog; de spitsboogdoorgang eronder meet vijf meter. Van verre lijkt de toren op een man die op twee zware benen staat en een kroon draagt: de witte pleisterschilden vormen de ogen, een knopenrij en de knieschijven. De toren stond model voor de loonhal van de Zeche Adolf von Hansemann in Dortmund-Mengede en voor de watertoren van Lüneburg. In de zomer kan hij beklommen worden.
Heimweer Heimweer

Heimweer.be — Europees Erfgoed Bewaard