De stalkaarsen van de Poort
Aan de zuidoever van de Lek, recht tegenover Schoonhoven, ligt Nieuwpoort: een van de kleinste vestingsteden van Nederland, nauwelijks groter dan het rechthoekige stratenrooster binnen haar wallen. De mensen uit de Alblasserwaard noemden haar nooit anders dan «de Poort». Wie hier woonde, woonde tussen twee soorten water: het water in de gracht, dat de vijand moest tegenhouden, en het water achter de dijk, dat door niemand werd tegengehouden. Over dat tweede water gingen de verhalen van de boeren — over stalkaarsen die op de dijk dansten, en over een mannetje dat droog over een dijkwiel liep.
1 De Poort tussen dijk en gracht
In de dertiende eeuw stichtten de heren van Liesveld en Langerak een nederzetting waar hun landerijen aan elkaar grensden: daar waar een oud veenriviertje in de Lek uitmondde en zo een natuurlijke haven vormde. Die haven gaf de plaats haar naam, want het Latijnse portus betekent haven. In 1283 kreeg de stad stadsrechten; in het handvest van dat jaar heten de bewoners al poorters. Het wapen is een sprekend wapen: van lazuur, beladen met een poort met zijne torens, alles van goud.
Een echte vesting werd Nieuwpoort pas na het rampjaar 1672, toen de Franse troepen bijna ongehinderd Holland binnenvielen. Op voorstel van prins Willem III kreeg de verouderde stad brede grachten, hoge wallen en zes bastions, vier op de hoeken en twee opgenomen in de hoge Lekdijk. Alleen aan de landzijde kwam een stadspoort; het middeleeuwse stratenpatroon bleef intact.
In 1697 verrees het stadhuis, gebouwd op een overkluizing van de haven, met een waag aan de achterkant. Het stond daar niet zomaar. Onder het gebouw lag de inundatiesluis. Wie het land onder water wilde zetten, moest bij die sluis kunnen komen — en door haar onder het stadhuis te leggen, kon geen ontevreden boer haar saboteren wanneer zijn weiland werd geofferd aan de verdediging van Holland.
2 Wat er ’s nachts over de dijk ging
Henk Kooijman (Haastrecht 1928 — Gouda 1988) was dichter van beroep en zwerver van aard; een criticus noemde hem ooit een poldersjamaan. Jarenlang trok hij door de waarden ten zuiden van Gouda en tekende op wat de mensen daar nog wisten. In het jaar van zijn dood publiceerde het P.J. Meertens-Instituut zijn oogst als Volksverhalen uit het grensgebied van Zuid-Holland, Utrecht, Gelderland en Noord-Brabant. Tientallen teksten daaruit zijn in Nieuwpoort zelf opgenomen, in de winters van 1962 en 1963.
Op 14 december 1962 vertelde K. Hakkesteeg uit Groot-Ammers het verhaal dat het langst is blijven hangen. In Langerak, zei hij, was het vroeger bar met toverij; hij had het van zijn vader. Er lag daar een waal — een dijkwiel, de diepe kolk die achterblijft waar een dijk is doorgebroken — en die waal lag op Nieuwpoort aan. Daar was vroeger een mannetje overheen gelopen. Hij liep droog over het water.
D. Kroon uit Nieuwpoort gaf Kooijman in februari 1963 de rest van de dijk. Als jongen was je overal bang op de dijk, zei hij. In Langerak dansten de stalkaarsen over de dijk heen, de dwaallichtjes. Een zwarte kat op de dijk voorspelde slechte handel, en een oude man hield stijf en strak vol dat hij bij lichte maan de weerwolf had gezien. G. Slob vertelde op 3 januari 1962 over de toverheks bij de watermolen in Langerak, die op de bezem naar de Poort vloog om boodschappen te doen; een jaar later dat het in Nieuwpoort gespookt had, want dan stonden de koeien achterstevoren op stal.
3 De waterschuur
Dat al die verhalen zich op de dijk afspelen, is geen toeval. De Alblasserwaard ligt laag en wordt omringd door een ringdijk waarvan het onderhoud al in 1277 werd geregeld in een overeenkomst met graaf Floris V. Een dijk die breekt laat een wiel achter, en zo’n kolk blijft eeuwenlang liggen als een litteken vol zwart water. De stalkaarsen waren niet zomaar een verzinsel om kinderen te plagen: ze waren de gedaante die het gevaar aannam.
Nieuwpoort zelf lag hoog en droog. Bij de watersnood van 1809 en de stormvloed van 1820 boden de wallen bescherming tegen het hoge water, terwijl een groot deel van de waard onderliep. Welgestelde boeren uit de omgeving hielden daarom binnen de vesting een waterschuur aan, die bij hoog water onderdak bood aan mens en vee. Dat is de voornaamste reden dat de vestingwerken hier nooit zijn gesloopt.
Op 1 februari 1953 brak de dijk bij Papendrecht. Vee uit het westen van de waard liep over de dijk de Poort binnen, en de waterschuur, hier de zwarte schuur genoemd, werd nog diezelfde dag leeggehaald: het opgeslagen hout naar buiten, de koeien naar binnen. Sinds 27 november 1972 is Nieuwpoort beschermd stadsgezicht; in 1998 werd de restauratie van wallen en grachten voltooid. Wie er vandaag rondloopt, komt langs een straat die Bij de Waterschuur heet. De stalkaarsen dansen er niet meer, maar die naam weet nog waarom men hier ’s nachts naar de dijk keek.
Vie FelineKattengedrag en vachtverzorging
Heimweer.be — Europees Erfgoed Bewaard


