Het kalf zonder kop van Arnemuiden
Op Walcheren, waar het land tegen de oude Arne aan ligt, staat Arnemuiden: een stadje van vissers, klederdracht en klokken die nooit zwijgen. Ooit lagen hier honderden koopvaarders voor anker en telde de stad meer herbergen dan Middelburg. Toen verzandde de haven, en de zee die Arnemuiden groot had gemaakt, trok zich terug. Wat bleef, was een gemeenschap die op de spookverhalen van haar vissers dreef als een sloep op het tij. In de Nederlandse Volksverhalenbank liggen ze bewaard, opgetekend uit de mond van Arnemuidenaren zelf: het kalf zonder kop op de meerpaal, de vis die niemand zag, en de klokken die volgens de buren nog maar een lied kennen.
1 De haven die verdween
Arnemuiden is ouder dan zijn straten. Het eerste stadje van die naam, al in 1223 vermeld, werd rond 1440 door de Arne zelf verzwolgen; ook een tweede Arnemuiden verdween in het water. Pas rond 1462 verrees de huidige stad, en die kende een korte, duizelingwekkende bloei. De rede lag strategisch tussen de Oostzee, Frankrijk en Engeland; in 1496 lagen er honderdvijfendertig schepen tegelijk voor anker, en in 1570 deden alleen al vierhonderd zoutschepen de haven aan. Er waren toen meer herbergen dan in Middelburg.
Het kwam Arnemuiden duur te staan dat het in de Tachtigjarige Oorlog vroeg voor Willem van Oranje koos: op 8 mei 1572 plunderden de Spaanse troepen van Sancho d’Avila de stad en kwamen honderden burgers om. Twee jaar later beloonde de prins de trouw met stadsrechten. Maar de zee is geen bondgenoot die zich laat vasthouden. In de zeventiende eeuw verzandde de haven onherroepelijk, de grote schepen bleven weg, handel en scheepvaart vielen stil.
En toen begonnen, zo vertelden de buren op Walcheren spottend, de klokken van Arnemuiden hun eigen armoede te luiden. Eens was Arnemuiden een rijke koopstad, zo tekende Sinninghe de spotsage op, maar sinds de haven verzandde kennen de klokken nog maar een lied, dat ze altijd door herhalen: arme luie, arme luie. En wie de Arnemuidenaars pesten wilde, noemde hen strontkruiers, naar de mest die zij over de schrale velden kruiden.
2 Het kalf zonder kop
Wie geen haven meer heeft, vist verder weg, en wie in het donker uitvaart, komt onderweg meer tegen dan vis. In 1962 tekende verzamelaar J.M. de Nooijer uit de mond van de Arnemuidenaar A. Grootjans een reeks spookverhalen op die op de vissersvloot werden verteld. Het bekendste speelt bij de werf van Arnemuiden zelf. Daar lag een sloep, geen gewone roeiboot maar een zwaar vaartuig met vijf man aan boord, dat wel tien voet diep stak.
Op een maandagochtend, nog voor het licht werd, wilde de bemanning uitvaren. De schipper riep dat de touwen los konden, maar de knecht die naar voren was gelopen, kwam bleek terug: op de voorste meerpaal stond een kalf zonder kop, dat met de stomp van zijn hals op het hout stond te beuken. De hele bemanning zag het beest staan, en niemand durfde erheen. De schipper belegde krijgsraad, en er werd gedobbeld om wie de touwen los moest gooien: wie de minste ogen wierp, moest gaan.
Het lot trof de vierde man. Die haalde het broodmes uit de la van de tafel, liep over de plank naar de wal, recht op de meerpaal af, en riep: in Godsnaam. Bij dat ene woord schokte het kalf en was het ineens verdwenen. De knecht gooide voor en achter los, en de sloep voer naar Veere om te gaan vissen. Voor hardnekkiger spoken wist heel Arnemuiden trouwens raad: een spook dat je schoot met een zilveren kogel of zilveren hagel, was voorgoed dood en deed nooit meer last.
3 Betoverd op het Arnemuidse padje
Tussen Arnemuiden en Middelburg liep vroeger het Arnemuidse padje, een voetpad dwars door het land, met plankjes over de sloten en hier en daar een drinkput voor het vee. Daarlangs gingen de visleurders, die met manden vol vis naar de stad trokken. Op een avond verkocht een van hen tegen vijven zijn laatste zootje vis aan een Middelburgse vrouw en zei dat hij nu maakte dat hij thuiskwam. Zo, zei de vrouw, dan ben je voorlopig nog niet thuis.
Op het padje, bij een drinkput, verliet hem het spoor. In plaats van rechtdoor te gaan liep hij rond de put, de hele nacht lang, zonder moe te worden en zonder het pad terug te vinden. Pas toen het licht werd, stond hij ineens weer op het padje en was de betovering gebroken. Thuis begreep zijn ongeruste vrouw meteen wat hij zelf al wist: het wijf uit Middelburg had hem betoverd.
Een ander echtpaar hoorde een hele zaterdagnacht verse vis met staart en vinnen op de tegels van het achterhuis klappen; er was niets te zien, en toen zij bij het eerste licht gingen kijken, lag er nergens een spoortje visslijm. En de kinderen? Die werden gewaarschuwd voor Ooszepik, ook wel Jan Haak genoemd, de waterduivel die in putten en in het kanaal huisde en je aan je been naar beneden trok als je alleen ging zwemmen. Zo hield Arnemuiden zijn volk bijeen: met klokken, spoken en een waakzaam oog op het water.
Vie FelineKattengedrag en vachtverzorging
Heimweer.be — Europees Erfgoed Bewaard


