Twee bultenaars op een heksenvergadering
In het dorpje Vechmaal, niet ver van Tongeren, leefden drie kinderen die door het noodlot zeer verschillend waren bedeeld.
1 De drie bultigen
In het dorpje Vechmaal, niet ver van Tongeren, leefden drie kinderen die door het noodlot zeer verschillend waren bedeeld. Zij waren allen drie gevangen in lichamen die het leven zwaar maakten—zij waren allen drie bultig, ieder met hun eigen kruis dat zij moesten dragen. De man, de jongste van de drie, was een drinker van roemloos formaat. Dag na dag zwoegde hij voort in een nevel van moede en sterke drank, zoekend naar vergetelheid in elke kan wijn en elk glas bier dat hij maar kon betasten. De oudste zuster, een vrouw met een tong als een mes en een hart van steen, schimpte voortdurend op haar broer. Iedere slok die hij nam werd begroet met haar vervloekingen. Zij sprak van schande, van schaamte, van het schande dat hun huishouden over zich heen bracht. De derde, een jongere zuster, droeg haar last in stilte, maar ook zij verlangde naar bevrijding.
2 In het boshemelhof
Op een duistere avond, toen de maan laag hing en de sterren schichtig flikkerden tussen de wolken, strompelde de dronken broer door het bos tussen Heks en Vechmaal. Zijn voeten kenden de weg niet meer, zijn ogen zagen dubbel, zijn ziel schreeuwde om water. Maar toen, plotseling, zag hij iets vreemds dat zijn dronken geest deed verstijven. Tussen de bomen dansten gestalten—nee, niet gestalten, maar katten, tientallen katten, honderde katten, zwart van vacht en gloed van ogen. Zij dansten in een ring van toverzang en fluistering, hun poten stampten in een ritmiek die even oud was als het bos zelf. De man kon niet anders dan zich in hun dans mengen. De muziek trok hem mee als een vloedgolf, en zijn voeten begonnen te wiegen zonder dat zijn geest bevelen gaf. Hoe langer hij danste, hoe lichter zijn lichaam werd. De buil op zijn rug begon te verzwakken, te verkrommen, te verdwijnen als mist in de morgenvloed. Het was alsof duizend ponden uit zijn vlees ontsnappen, alsof zijn wervelkolom zich rechtschaafde en groei in waardigheid. Toen, zoals plotseling als het begonnen was, hield de dans op. De katten verdwenen tussen de stammen en de nacht keerde terug tot stilte.
3 De terugkeer in rechtheid
In de ochtend wankelde de man naar zijn huisje—doch nu zonder de kromme buil. Rechtop liep hij, met borst vooruit, zijn rug zo recht als een dennestam. Zijn zuster zag hem en kon haar ogen niet geloven. Waar was de buil? Hoe was dit mogelijk? De man zei niets van heksen en dansende katten, maar het geheim kon niet lang verborgen blijven. Toen het verhaal zich verspreidde—eerst gefluisterd in de buurt, dan hardop uitgesproken in het dorp—werd zijn zuster zich van jaloezie geel. Zij wilde hetzelfde. Zij wilde van haar buil af. Zij wilde recht van rug zijn en rechtop door het dorp kunnen gaan. En dus, op een nacht even donker als die andere, liep zij naar het bos.
4 De straf der hoogmoed
In hetzelfde gedeelte van het bos zag zij wederom de dansende katten in hun ring. Maar deze vrouw, vol zelfgenuegzaamheid en weerloos van demoed, deed iets wat haar broer nooit zou doen. Zij spot en bespot en belachte de katten. "Wat zijn jullie toch voor ellendig spul!" riep zij uit. "Zwarte beesten zonder ziel! En die dans van jullie is niet eens aangenaam!" De katten hielden stil. De stilte was als dood. Toen begonnen zij langzaam verder te gaan, en de vrouw voelde een vreselijke warmte op haar rug. Toen zij thuiskwam, sneeuwde het licht door de ramen. Haar broer zag haar en slaakte een kreet van ontstellenis. Niet één buil droeg zij nu, maar twee—haar eigen oude buil en daarboven, als een demoon die haar niet wilde loslaten, die van haar broer. Zij was nu dubbel gebukt, dubbel belast, en de les was haar helder: waardigheid komt niet van rechtopheid van rug, maar van demoed van hart.
Vie FelineKattengedrag en vachtverzorging
Heimweer.be — Europees Erfgoed Bewaard


