Shield
Branst, Antwerpen

De Vliegende Geiten van Branst

Tier 0+ - Publiek 4 min Volksverhaal
Flag
Advertentie
OthalaOthalaHandgebouwde websites die je zelf bezit

Langs de Schelde, waar de schorren zuchten bij opkomend tij, kan één vreemd geluid een dorp wakker schudden. In Branst werd dat gemekker een verhaal dat bleef hangen.

HW HW

1 Oorlogstijd en lege borden

Het was oorlogstijd, zo vertelt men in Branst, een periode waarin brood dun werd gesneden en hoop nog dunner. Wie iets hoorde dat op vlees leek, hoorde tegelijk het knorren van zijn eigen maag. In die dagen was het leven niet gemaakt van grote heldendaden, maar van kleine kansen: een kip die nog legde, een akker die niet vernield was, een schuur waar misschien—heel misschien—iets te halen viel.

En toen kwam dat gerucht. Iemand had een geit gehoord. Niet een gewone geit die over een hek sprong of langs een hof stapte, maar een geit die verborgen zat. In een schuur, zei de ene. In de schorren, bij de Schelde, zei de andere. Het mekkeren klonk ’s avonds, wanneer de lucht kouder werd en stemmen verder droegen. Het was alsof het dier riep: “Hier ben ik. Kom mij halen.”

Honger maakt van een dorp een orenpaar. Het nieuws ging van deur tot deur, van erf tot erf, en al snel had iedereen de geit al bijna gezien. Alleen: wie had er recht op? Van wie wás die geit? En wie zou het eerst durven gaan kijken?

2 Het gemekker uit de lucht

Wandelaars op de dijk hielden halt, precies daar waar het land ophoudt en het water begint te denken. Ze luisterden. Het geluid kwam uit het riet, uit de nattige laagte, uit het schemerlicht dat over de schorren kroop. “Daar,” fluisterde iemand, “daar in het groen.”

Maar het bleef niet bij één verhaal. Enkelingen beweerden dat het gemekker niet uit het riet kwam, maar van bóven. Uit de lucht, alsof een onzichtbaar dier cirkelde boven het slik. Een vliegende geit—dat klonk als spot, als bijgeloof, als iets dat je bij het haardvuur vertelt wanneer de wind aan de ramen trekt.

Toch deden mensen die avond hun deur en venster extra stevig op slot. Niet alleen uit gierigheid of jaloezie—ook uit angst. Want een geit die vliegt is geen beest meer; dan wordt het een teken. Een kwade geest, een dwaallicht met horens. In een dorp dat al genoeg had gezien, paste zo’n dreiging naadloos tussen de schaduwen.

En intussen groeide het gerucht. Met elk verteld detail werd de geit groter, wilder, ongrijpbaarder. Soms is een verhaal precies dat: een dier dat je niet kunt vangen, omdat het al begonnen is te leven in de monden van anderen.

3 De pastoor breekt de hoogmis

De ruzie kwam niet stilletjes. Ze vrat zich een weg door de dagen, tot ze zelfs de kerk binnenkroop. Men zegt dat Branstenaars er woorden over wisselden tussen de banken, dat ogen elkaar priemden terwijl de wierook kringelde en de mis voortging alsof de hemel doof was.

Daar stond de pastoor, in zijn gewaad, met een stem die gewend was aan zonden en verzoening. Hij hoorde het gemor, zag de handen die al bijna naar elkaar grepen, en begreep dat dit geen vrome onrust was, maar honger die in mensen begon te bijten.

Dus deed hij iets ongewoons: hij beëindigde zijn hoogmis vroeger. Niet om te vluchten, maar om het dorp terug op de grond te zetten. “Kom,” stelde hij voor, “als het u zo bezighoudt, laat ons dan samen gaan kijken. Dan zal de waarheid spreken.”

Een stoet trok naar de plek waar men de geit verwachtte—sommigen met schoppen, anderen met touw, en velen met niets dan vastgeklemde hoop. De deur van de schuur ging open. Het donker daarbinnen leek even te ademen. En in datzelfde ogenblik, alsof het zich geamuseerd had met hun zekerheid, schoot iets op uit het verborgen hoekje: een vogel, schichtig en snel, met vleugels die het stof deden opstuiven.

Een watersnip. Geen geit. Geen vlees. Geen buit. Alleen een vogel die, vooral in mei, een geluid kan maken dat verdacht veel op gemekker lijkt. En terwijl hij opvloog, leek het—voor wie ernaar verlangde—alsof het geluid even boven hun hoofden hing. Daar was de “vliegende geit” dan: niet met hoeven, maar met veren.

4 Spotnaam die blijft hangen

Sommige vergissingen verdwijnen zodra je lacht. Andere vergissingen blijven, juist omdat iedereen erom kan lachen. Branst kreeg zijn spotnaam, en droeg hem verder: “Vliegende geiten.” Niet omdat men werkelijk in een gevleugelde bok geloofde, maar omdat het verhaal té mooi was om los te laten.

Het had alles: oorlogstijd, honger, een dorp dat ruzie maakt tot in de kerk, en een pastoor die de mis stillegt om de waarheid te vangen—en dan toch met lege handen terugkeert.

En ergens is dat ook Branst: niet het domme dorp uit de spot, maar het dorp dat laat zien hoe snel een gemeenschap kan gaan trillen op één vreemd geluid, en hoe natuur en noodlot elkaar kunnen raken in een misverstand. De schorren bleven schorren, de dijk bleef dijk, en de watersnip bleef zingen met zijn eigenaardige stem. Maar voortaan hoorde men er ook iets anders in: het begin van een verhaal.

Tot vandaag kan de naam nog vallen, met een knipoog. En als de avondwind over de Schelde strijkt en iemand, ver weg, een vreemd “mekkerend” geluid opvangt, dan is er altijd wel één die zegt: “Hoort ge ’t? In Branst vliegen ze weer.”

Bron: “Vliegende Geiten” (Volksverhalen.be, Filip Gybels, 2015; bijgewerkt 2024)
Wist je dat? Bornem telt een erkend stiltegebied; het behoort tot de schaarse stiltegebieden in Vlaanderen. In Hingene (Bornem) ligt Kasteel d’Ursel, eeuwenlang de zomerresidentie van de adellijke familie d’Ursel.
Heimweer Heimweer

Heimweer.be — Europees Erfgoed Bewaard