Shield
Woudrichem, Noord-Brabant / Altena

De zalmvissers van Woerkum

Tier 0+ - Publiek 4 min Volksverhaal
Flag
Advertentie
OthalaOthalaHandgebouwde websites die je zelf bezit

Waar de Waal en de Afgedamde Maas samenkomen en verder stromen als Boven-Merwede, ligt Woudrichem. Een vestingstadje met Slot Loevestein aan de overkant van het ene water, Gorinchem aan de overkant van het andere en Fort Vuren schuin daarnaast — drie provincies raken elkaar hier midden op de stroom. De inwoners noemen hun stad Woerkum en zichzelf Woerkummers. In hun wapen staan twee rode zalmen, en die staan er niet voor de sier: het oudste stadszegel toont ze al in 1306. Eeuwenlang was de zalm hier het brood op de plank. Toen de zalm verdween, verdween het halve bestaan van het stadje mee.

HW HW

1 Het visrecht van 1362

Op 3 juni 1362 verleende Dirc Loef van Horne, de heer die aan de overkant Slot Loevestein liet bouwen, het visrecht aan de poorters van Woudrichem. Wie ervan wilde profiteren moest ten minste achttien maanden binnen de stad wonen: het recht was van de Woerkummers en van niemand anders. Zes jaar eerder had Willem van Horne de plaats haar stadsrechten gegeven, maar het is het visrecht dat de stad werkelijk heeft gedragen. De coöperatieve visserijvereniging De Hoop beheert het tot op vandaag.

Gevist werd er met de zegen en met het drijfnet. De zalmzegen was een reusachtig sleepnet dat in een boog werd uitgezet en daarna met mankracht, paardenkracht of een spil weer werd binnengehaald, altijd in hetzelfde riviervak, de zegendreef. Het drijfnet ging bij nacht overboord, vanaf een zalmschouw. Om de beurten te verdelen werd er geloot; wie het einde van zijn dreef bereikte blies op de misthoorn, en dan mocht de volgende beginnen. Aan wal werd de vangst afgemijnd: de afslager begon hoog en liet de prijs zakken tot iemand riep. Niet alleen zalm kwam er binnen, ook elft, fint, houting, steur, bot en paling.

2 Het zalmcontract dat nooit bestond

Aan de grote rivieren wordt al eeuwen een mooi verhaal verteld: dat knechten en dienstboden in hun contract lieten opnemen dat zij niet vaker dan twee of drie keer per week zalm hoefden te eten. Zo goedkoop en zo overvloedig zou de vis geweest zijn. Het is een prachtig verhaal, en het is vrijwel zeker niet waar. Niemand heeft ooit zo’n contract teruggevonden. Het oudste spoor staat in een beschrijving van Zuid-Holland uit 1654 en zegt niet meer dan: men zegt dat dienstboden dat bedingen. Duitse en Nederlandse onderzoekers speuren er sinds de negentiende eeuw naar, en de bioloog Rob Lenders looft zelfs een fles wijn uit voor wie de akte boven tafel krijgt. Bovendien wordt precies hetzelfde verteld over Kampen, Dordrecht, Rotterdam en over Gorinchem, dat hier pal tegenover ligt. Het is een reizend verhaal, geen Woerkumse oorkonde.

De cijfers vertellen iets anders dan de anekdote. Het topjaar was 1885: op de Nederlandse rivieren kwam toen ongeveer negenhonderdduizend kilo zalm binnen, zo’n honderdvijfentwintigduizend vissen. Maar hoe groter de aanvoer, hoe lager de prijs, en hoe meer mensen het probeerden. Woudrichem telde in 1850 tachtig vissers, in 1880 al driehonderd. Rijk werd er niemand van.

3 De kanonneerboot en de Mosterdpot

Hoe scherp het erom ging bleek in 1877. De gemeenteraad nam een nieuwe visserijverordening aan: de vissers moesten meer afdragen en hun vangst verplicht op de gemeentelijke afslag brengen. De vissers lootten buiten het stadhuis om, weigerden hun vis af te leveren en dreven op 29 april marechaussee en infanterie terug. Op 7 mei meerde de kanonneerboot Hydra voor Woudrichem, gevolgd door twee andere marineschepen en versterkingen van leger en rijkspolitie. Toch wonnen de vissers: op 2 juni trok de raad de verordening in en op 5 juni werden nieuwe vergunningen uitgereikt.

Wat de kanonneerboot niet lukte, lukte de rivier zelf. Tussen 1861 en 1874 werd de Nieuwe Merwede gegraven, en in 1904 werd de Maas bij Andel afgedamd, zodat Woudrichem niet langer aan een levende Maasmond lag. Rond 1900 kwamen er nog twintig- tot vijfentwintigduizend zalmen op de afslag, in 1930 nog maar enkele honderden, en omstreeks 1960 gold de zalm in Nederland als verdwenen. Wat overbleef staat in het Arsenaal aan de Kerkstraat, waar het Visserijmuseum netten, fuiken, een taanhuis en een zalmschouw bewaart. En boven dat alles staat de stompe Martinustoren. Officieel is die stomp sinds een storm in 1717 de spits afnam, maar de Woerkummers vertellen het anders: er stond een mosterdmakerij in de vesting, de zaadjes waaiden omhoog en schoten boven op de toren wortel. Sindsdien heet hij de Mosterdpot, en met carnaval woont heel Woudrichem in het Mosterdgat.

Bron: Visrecht van Dirc Loef van Horne (3 juni 1362); P. van Dun over het visserijoproer van 1877, Historische Reeks Land van Heusden en Altena; onderzoek van K. Schwarz en R. Lenders naar het zogenaamde zalmcontract; Visserijmuseum Woudrichem.
Wist je dat? De zalmschouw was de werkboot van de Woerkumse visser: een platbodem met zo weinig diepgang dat roer en zwaarden konden worden weggenomen om de netten onbeschadigd binnen te halen, en met vooraan een huik, een lage kap waaronder de schipper de nacht doorbracht. Het voetveer over de Merwede draagt nog altijd de spreuk over heen betalen en gratis terug. De coöperatieve visserijvereniging De Hoop beheert het middeleeuwse visrecht nog steeds en telt meer dan honderd leden.
Heimweer Heimweer

Heimweer.be — Europees Erfgoed Bewaard