Het verdronken land van de Betuwe
Tussen Waal en Rijn, in het Gelderse rivierenland dat de Betuwe heet, vertelt de overlevering van zeven dorpen die in één stormnacht zouden zijn verdwenen. Niet de Sint-Elisabethsvloed van 1421, die zo bekend is — een vroegere ramp, in een tijd waarin niemand meer dijken telde. Wie op stille avonden langs de Waaldijk loopt, hoort onder het water nog de klok luiden van één van die dorpen.
1 De zeven dorpen
Voor de grote vloed waren er zeven dorpen tussen wat nu Tiel en Zaltbommel heet. Ze stonden op terpen die de bewoners zelf hadden opgeworpen; de Romeinen hadden ze nog kunnen tellen. De namen zijn verloren. Wat de overlevering bewaarde, zijn er drie: Asserden, Hoenrik, en het kleinste, dat Brouwhuis heette omdat er een brouwerij stond met één koperen ketel zo groot dat er vier kinderen tegelijk in pasten.
Het zevende dorp had een kerk met een toren. In de toren hing een bronzen klok, geschonken door de heer van Zaltbommel in 1311. De klok luidde elke zonsondergang. Wie haar hoorde — tot in Tiel, met de wind mee — wist dat de avond viel.
2 De stormnacht
De vloed kwam in november. Welk jaar — daarover spreken de bronnen niet eensluidend. Sommige geleerden plaatsen hem in de elfde eeuw; anderen veel vroeger. De legende beschrijft hem zo: drie dagen lang stond de wind tegen, hoog uit het westen; op de derde nacht draaide hij plotseling, en braken de oude dijken — die niet meer dan opgeworpen kades waren — aan zeven plekken tegelijk.
De zeven dorpen verdwenen in één nacht. Wie kon zwemmen, zwom; wie hoog stond op een terp, hield het twee dagen vol; wie sliep, dronk water in zijn slaap. Toen de zon op de derde dag opging, was de Betuwe een binnenzee. Op één plek stak nog een puntje uit boven het water: de top van de torenklok van het zevende dorp. Aan de balk van de klok hing nog één hand. De man die ernaar greep, heette — volgens de overlevering — Wessel; hij liet niet los.
3 De klok onder water
Het water trok niet weg. Niet in een week, niet in een maand. Pas na drie jaar, met grote inspanning van de heer van Tiel en de heer van Zaltbommel, werden nieuwe dijken opgeworpen, en kreeg de Betuwe weer land. De zeven dorpen kwamen niet terug. Alleen op de plek waar het zevende dorp had gestaan, in de huidige Bommelerwaard, lag op stille zomeravonden de waterspiegel zo glad dat men — volgens vissers — de top van de torenklok nog kon zien als een schaduw onder het oppervlak.
De klok luidde nog. Niet elke avond. Maar wel op één nacht in november, het soort nacht waarin de wind plotseling van het westen draait. Dan klonk er, vanaf de bodem, de oude bronzen klok die in 1311 was geschonken. Tussen de slagen door — zeggen de oudste lieden van Brakel en Aalst — klinkt één keer een mannenstem: «Niet meer loslaten.» Het is de stem van Wessel, die de balk van de klok niet heeft losgelaten en haar nu voor eeuwig blijft luiden.
Vie FelineKattengedrag en vachtverzorging
Heimweer.be — Europees Erfgoed Bewaard


