Spoken en heksen van Menheerse
Aan het Haringvliet ligt Middelharnis, het dorp dat de eilanders zelf Menheerse noemen. Meindert Hobbema schilderde er in 1689 zijn beroemde laantje, en anderhalve eeuw lang voeren vandaar de beugsloepen naar de Noordzee. Maar naast vis en polderwerk had het dorp nog iets anders: verhalen. In 1953 vulde A. Faasse, die er rond 1900 opgroeide, voor het Meertens Instituut een volkskundevragenlijst in en schreef op wat hij als schooljongen had gehoord en meegemaakt. Zijn herinneringen over spoken in Middelharnis liggen nog altijd in het archief, en ze vertellen van een heks met een zwachtel om haar arm en een hondenkar die niet vooruit wou.
1 Maere van Mein
Rond 1900 telde Middelharnis ongeveer vierduizend inwoners, en het dorp was streng in de gereformeerde leer. Juist daar, schrijft Faasse, vonden verhalen over hekserij en bovennatuurlijke krachten nog een gretig gehoor. Wie tot toverheks werd verklaard, bepaalde het dorp zelf, en de regels waren onbarmhartig: een vrouwtje moest oud zijn, arm en lelijk. Beter gesitueerden die hun kleding konden verzorgen kwamen niet in aanmerking, ook al waren ze lelijk.
Zo werd Maartje, de weduwe van Meindert, in de dorpsmond Maere van Mein, vanzelf ingedeeld. Ze liep krom, strompelde met een stok over straat en had een grote neus. De schooljongens waren bang om haar te passeren: gaf ze je drie tikjes met haar stok, dan was je betoverd. Kon je meteen drie tikjes teruggeven, dan was de toverij bezworen, maar dat risico nam niemand graag.
Er bestond ook een proef. Trok je een streep door het grind van de weg, dan kon een echte heks daar niet overheen; onherroepelijk zou ze struikelen. Faasse deed als jongen in de achterhoede aan zo’n hinderlaag mee, zonder succes: het vrouwtje wandelde er rustig overheen. En toch bleef het geloof. Toen een Menheersenaer op een avond een zwarte kat met een knuppel een klap op de voorpoten gaf, liep Maere van Mein de andere dag met haar arm in een zwachtel. Voor het dorp was daarmee alles bewezen.
2 De hondenkar van Hansje Lampe
Het tweede verhaal was volgens Faasse algemeen bekend. Hansje Lampe was voddenkoopman, en hij lustte graag een borreltje, al voegt de verteller er droog aan toe dat die eigenschap met het verhaal niets uitstaande heeft. Op een nacht moest Hansje met zijn hondenkar van Stad aan ’t Haringvliet naar Middelharnis rijden. Om twaalf uur, op den Oudendijk onder Middelharnis, gebeurde het: de kar kwam niet meer vooruit.
Het wonderlijke was dat de honden juist steeds harder begonnen te lopen, harder dan Hansje ze in heel zijn leven als hondenkarvoerman had zien lopen. Of de wielen draaiden, vertelt de overlevering niet, maar de kar bleef op haar plaats, zo stevig als den Goereisendom, de zware toren verderop op het eiland. Hansje kon niet uit de kar, en hoe hij de zweep ook hanteerde op de arme honden, er kwam geen beweging in.
Pas tegen het ochtendgloren werd de zaak vrijgegeven. Meer dood dan levend bracht Hansje bij zijn dorpsgenoten verslag uit van het verschrikkelijke gebeuren; de honden, besluit Faasse, zullen na die geschiedenis ook wel aan heksen geloofd hebben. Het overkwam trouwens meer mensen dat ze op zieë gezet wiere, opzij gezet en vastgehouden, omdat heksen of beeldwitten moesten passeren. In de sagencatalogus heet dit type verhaal Hexe bannt an den Platz: de heks die mens en voertuig aan de plek bindt.
3 Beeldwitten en de vragenlijst van 1953
Wat waren die beeldwitten? Op Goeree-Overflakkee verstond men eronder mensen die met de helm geboren waren, met een vlies over het hoofd. Aan hen werd toegeschreven dat ze gebeurtenissen vooraf konden zien: rond middernacht namen ze een begrafenisstoet waar die een sterfgeval in de omgeving aankondigde, en soms herkenden ze zelfs wie er meeliep. Faasse wist in 1953 niet meer of het woord op de persoon sloeg of op de verschijning, maar dat er opzij gezet werd wanneer ze passeren moesten, stond voor de oude Menheersenaers vast.
Dat we dit alles nog kunnen nalezen, is te danken aan een stille reddingsoperatie. Het Meertens Instituut stuurde vanaf de jaren dertig vragenlijsten het land in, en op formulier I.25 van volkskundevragenlijst 17 uit 1953 schreef Faasse zijn jeugdherinneringen neer. Zijn twee verhalen kregen in de Nederlandse Volksverhalenbank elk een typenummer uit de internationale catalogus, want de kat die de klappen voor de heks opvangt en de kar die stilstaat, worden van Vlaanderen tot Scandinavië verteld.
Zo bleek het kleine Menheerse gewoon mee te doen aan de grote Europese verteltraditie. In 2010 zette de KNAW met de bundel Verhalen van stad en streek de sagen van elke gemeente opnieuw op de kaart, en ook Flakkee bleek vol te zitten met heksen, benden en verdwenen kloosters. Maar wie het dichtst bij de bron wil, leest gewoon Faasse zelf: een schooljongen van rond 1900 die eerlijk toegeeft dat de heksenproef mislukte, en het toch nooit vergat.
Vie FelineKattengedrag en vachtverzorging
Heimweer.be — Europees Erfgoed Bewaard


