De klokken van de Kapellerput
Tussen Heeze en Sterksel, in de bossen aan de Somerenseweg, ligt een ovaal ven met vrij hoge oevers. Het heet de Kapellerput, en die naam is geen toeval: hier zou een kapel in de grond zijn gezakt. Wie er op een stille avond langsloopt, zeggen ze in Heeze, hoort onder het water nog de klokken luiden. Het Meertens Instituut bewaart er drie versies van, in de jaren zestig opgetekend uit de mond van dorpsgenoten. En het huis dat sinds 1955 aan de rand van dat bos staat, draagt tot vandaag de naam van het ven.
1 Een ovaal ven met hoge oevers
Op 7 mei 1962 tekende de verzamelaar C. Kusters in Heeze een sage op uit de mond van Leo Verest; zij staat in de Nederlandse Volksverhalenbank onder nummer KUSTERS000806, bron: Collectie Kusters, verslag 8, verhaal 6, Archief Meertens Instituut. Verest hield het kort. Tussen Heeze en Sterksel ligt de Kapellerput, een ven in ovale vorm met vrij hoge oevers. Lang geleden stond daar een kasteel met een kapel, met een onderaardse gang naar een ander kasteel. Toen de jonkvrouwen die er woonden door roofridders werden bedreigd, vluchtten zij de kapel in. Toen de belagers ook daar binnendrongen, zakte de kapel in de grond, en erboven vormde zich een meer. Op sommige avonden hoort men de klokken nog luiden.
Verest was eerlijk tegenover zijn opschrijver. Hij had het van zijn moeder, en bekende dat hij er jaren eerder zelf een verhaal omheen had gefantaseerd en aan een regionale krant gestuurd, die het plaatste; wat hij Kusters vertelde was de authentieke versie. Het Meertens Instituut gaf de tekst twee typenummers uit de catalogus die J.R.W. Sinninghe in 1943 van de Nederlandse sagen maakte: SINSAG 1141, Das versunkene Schloss, en SINSAG 1236, Der unterirdische Gang.
2 Zwarte Narob, Euvelwinde en Venka
Ruim dertig jaar later verscheen de uitgewerkte legende in druk: Ineke Bannenberg schreef haar in 1993 op in de Heemkronijk van de heemkundekring De Heerlijkheid Heeze-Leende-Zesgehuchten, jaargang 32, nummer 2, bladzijden 83 tot 87, zoals dezelfde L. Verest haar had verteld.
Toen er nog maar weinig mensen in Heeze woonden, kwamen er monniken die op de plek van de latere kuil een kapel bouwden. De mensen in de omgeving waren arm en onderworpen aan een ridder die Narob heette; zwarte Narob noemden ze hem. Hij was gedoopt, maar deed al lang niets meer aan zijn geloof en leefde van roven en plunderen, vooral van kloosters. Zijn vrouw Euvelwinde was een brave vrouw, en zijn dochtertje van een jaar of tien heette Venka.
Toch liet Narob juist deze kapel met rust, en daar was een reden voor. Venka was eens in de bossen verdwaald, en dagenlang zoeken had niets opgeleverd; het was een monnik van de kapel die haar vond en bij haar vader terugbracht. Uit dankbaarheid beloofde Narob de kapel te sparen. Maar toen zijn vrouw en dochter er avond aan avond gingen bidden dat hij zich zou bekeren, verbood hij het hun op straffe van de dood. Op een avond dat zij hem niet thuis verwachtten, gingen ze toch. Narob kwam onverwacht terug, hoorde van een knecht waar de twee zaten, en trok met zijn soldaten op de kapel af.
3 De klokken onder het water
De wacht van de monniken had de troep zien naderen. Door de geheime onderaardse gang kropen de kapelgangers naar buiten, op handen en voeten, door vuil en spinnenwebben. Toen zij weer in het licht stonden, begon de grond te beven en zakte de gang vlak achter hen in. Wie ging kijken vond geen kapel meer, maar een grote waterplas: een straf van Onze Lieve Heer, begrepen de mensen, voor Narob en zijn kornuiten. Euvelwinde en Venka bleven nog lang in Heeze wonen, en uit dankbaarheid werden twee uithoeken van het dorp naar hen genoemd. Euvelwegen en Ven staan tot vandaag op de lijst van gehuchten van de gemeente Heeze-Leende.
Dat de klokken bleven luiden, is niet alleen van Verest bekend. In 1966 noteerde de verzamelaar Van Oirschot in Heeze twee getuigenissen in dialect, OIRSCHOT000407 en OIRSCHOT000502. In de eerste moet er een kapel gestaan hebben waar nu het retraitehuis staat; iemand die er geen vijftig meter vandaan woont heeft de klokken nooit gehoord, maar vertellen doen ze het wel. In de tweede luiden ze in de kerstnacht, en Rietje Heiligers zou ze werkelijk gehoord hebben. Het Meertens Instituut ordende beide onder SINSAG 0980, Der Glockenpfuhl.
Dat retraitehuis staat er nog. De paters jezuïeten lieten het in 1955 aan de Somerenseweg bouwen naar ontwerp van de Eindhovense architect De Bever; tot 1967 heette het Regina Pacis, en sinds 1992 is het een conferentiehotel — nog altijd onder de naam van het ven. Ook het kasteel uit de sage heeft een tegenhanger van steen: achter het voorgebouw dat Pieter Post in 1665 voltooide staat het oudere huis Eymerick, en over een onderaardse gang daar wordt nog steeds gesproken, al geloofde de verteller van OIRSCHOT000508 er in 1966 zelf niet meer in.
Vie FelineKattengedrag en vachtverzorging
Heimweer.be — Europees Erfgoed Bewaard


