De laatste wens van Vrouwe Jacoba
Op Tholen, waar de Pluimpot het eiland ooit in tweeën sneed, ligt Sint-Maartensdijk, in de volksmond Smerdiek. Een smalstad met een raadhuis vol Oranjeportretten, een oude Maartenskerk en aan de noordrand een gracht waarin geen kasteel meer spiegelt. Toch draait de overlevering van het stadje om dat verdwenen slot: hier hield Frank van Borssele hof, en hier vond Jacoba van Beieren, viermaal getrouwd en alles kwijtgeraakt, de rustigste jaren van haar leven. In Sint-Maartensdijk wilde zij begraven worden. Dat het anders liep, vertelt men er tot vandaag.
1 Haestinge en de heren van Borssele
Voor er een Sint-Maartensdijk bestond, lag hier Haestinge, een gehucht aan de dijk van de Pluimpot, de geul die het eiland Tholen tot in de zestiende eeuw in tweeën deelde. In een oorkonde van 1357 gaf hertog Willem van Beieren zijn lieden van het dorp Haestinge in Sinte Martijnsdike vrijdom van tol; in 1434 duikt de oude naam voor het laatst op, daarna spreekt iedereen van Sint-Maartensdijk, naar de patroonheilige van de kerk. Buiten de dijk stond toen al een kasteel: opgravingen wijzen uit dat de oudste delen uit de dertiende eeuw stammen. Op twee omgrachte eilanden lagen een nederhof en een opperhof met een zware vierkante hoofdtoren.
Vreedzaam was de streek niet. In 1342 raakten Zeeuwse heren bij Yerseke, Sint-Maartensdijk en Scherpenisse met elkaar slaags. Raas van Steeland werd gedood, een polderdijk doorgestoken, Hendrik van Kreke in het kasteel opgesloten en een rode hengst gestolen. De machtige Van Borsseles belegerden daarop het slot, en graaf Willem IV moest beide partijen met zware boeten tot verzoening dwingen.
Amper twaalf jaar later kocht Floris van Borssele het ambacht, en na 1357 noemde hij zich heer van Sint-Maartensdijk. Zijn broer Frank, die het bezit in 1369 verwierf, kreeg het kasteel van graaf Albrecht in leen als hoge heerlijkheid: hij mocht schepenen aanstellen, hield een gevangenis in het slot en richtte een galg op. Het Galgepad in het stadje herinnert er nog aan.
2 De gravin en de Kabeljauw
Twee generaties later hield Frank II van Borssele op het stamslot hof. Hij was in 1395 geboren, werd baljuw en dijkgraaf van Tholen en klom als aanvoerder van de Kabeljauwse partij op tot stadhouder van Holland. In de scheepsstrijd bij Brouwershaven, in 1426, vocht hij mee tegen de Engelse hulptroepen van Jacoba van Beieren en raakte hij licht gewond door een pijl. Uitgerekend die tegenstandster zou zijn vrouw worden.
Jacoba, op 16 juli 1401 geboren in Le Quesnoy, was als enig kind van graaf Willem VI gravin van Holland, Zeeland en Henegouwen geworden. Drie huwelijken brachten haar weinig geluk: haar eerste man stierf jong, van de tweede, haar neef Jan van Brabant, vluchtte zij weg, en haar Engelse huwelijk met Humphrey van Gloucester werd door de paus ongeldig verklaard. Met de Zoen van Delft van 1428 moest zij haar neef Filips van Bourgondië als opvolger erkennen, en beloofde zij nooit meer te trouwen zonder zijn toestemming.
Ze deed het toch. In juli 1432 trouwde ze in het geheim met Frank, de man die haar toegezegde inkomsten moest innen en uit eigen zak bijpaste. Nadat Jacoba in april 1433 officieel afstand had gedaan van haar gewesten, werd het huwelijk op 15 april 1434 in de Maartenskerk van Sint-Maartensdijk ingezegend. Als huwelijksschenking ontving zij het stadje en het kasteel; Frank werd tot graaf van Oostervant benoemd.
3 De wens die niemand uitvoerde
Uit de rekeningen van de rentmeesters weten we hoe het paar op het kasteel leefde. Jacoba bracht haar eigen hofhouding mee: hofdames en jonkvrouwen, kamerlingen, een borduur- en bontwerker, toortsdragers, een pasteibakker, valkeniers en zelfs zangers. De kamers hingen vol kostbare wandtapijten, en op het dubbelportret dat het paar liet maken, dragen beiden een gouden keten met het Antoniuskruis. Na alle oorlogen en verloren kronen waren de jaren op Smerdiek vermoedelijk de rustigste van haar leven.
Ze duurden kort. In 1436 lag Jacoba ziek op slot Teylingen, het kasteel van haar moeder. Op 8 oktober liet zij notaris Jacob van Noirde haar testament opmaken; diezelfde nacht stierf zij, vijfendertig jaar oud, aan de tering. In dat testament stond haar laatste wens: begraven worden in Sint-Maartensdijk, waar zij de laatste periode van haar leven had gewoond. Haar nabestaanden legden die wens naast zich neer, want de uitvoerders vonden het te duur. Zo werd de laatste gravin van Holland bijgezet in de Hofkapel op het Binnenhof in Den Haag. Frank overleefde haar vierendertig jaar en koos in 1470 wel voor Smerdiek: hij ligt begraven in de Maartenskerk.
Het kasteel kwam door vererving aan de Oranjes. Frederik Hendrik liet er in 1632 nog een kapel bouwen, maar daarna zette het verval in. In 1812 kocht de rentmeester van de domeinen het complex, zes jaar later verkocht hij het voor afbraak; alleen de tuinmanswoning met de oude gevangenis hield stand tot 1970. Van het slot rest een stille gracht. En de wens van Jacoba? In 2019 vroeg een historische kring het kabinet haar gebeente alsnog over te brengen. De minister weigerde. De koning noemt zich tot vandaag heer van Sint-Maartensdijk, maar Vrouwe Jacoba ligt nog altijd in Den Haag.
Vie FelineKattengedrag en vachtverzorging
Heimweer.be — Europees Erfgoed Bewaard


