Shield
Rennes-le-Château, Occitanie / Aude

De schat van pastoor Saunière

Tier 0+ - Publiek 4 min Volksverhaal
Flag
Advertentie
OthalaOthalaHandgebouwde websites die je zelf bezit

Vijf kilometer boven Couiza, op een rotspunt in de Aude, ligt een dorp van nog geen honderd zielen. Wie er in de zomer aankomt, vindt een volle parkeerplaats, boekenwinkeltjes vol raadsels en hier en daar iemand die met een schepje in de berm staat. Dat alles gaat terug op één man: Bérenger Saunière, die hier in 1885 pastoor werd en daarna veel te veel geld uitgaf.

HW HW

1 De pastoor die niets had

In juni 1885 kwam Bérenger Saunière, drieëndertig jaar oud, aan als pastoor van Rennes-le-Château. Hij trof een dorp dat leegliep en een kerk uit de elfde eeuw, gewijd aan Maria Magdalena, met een lekkend dak en vensters die met planken waren dichtgetimmerd. De pastorie was onbewoonbaar; hij sliep in bij een parochiane, Antoinette Marre.

Lang bleef hij niet stil. Bij de verkiezingen van oktober 1885 preekte hij vanaf de kansel tegen de jonge Republiek. De burgemeester klaagde, en de minister van Eredienst liet zijn wedde een half jaar intrekken; de bisschop van Carcassonne gaf hem intussen een lesopdracht in Narbonne. In juni 1886 was hij terug, met drieduizend goudfranken van de gravin van Chambord.

Met Élie Bot, metselaar en limonadehandelaar uit het naburige Luc-sur-Aude, begon hij aan het hoognodige: het dak, de pastorie. In 1887 werd het oude hoofdaltaar vervangen, betaald door een weldoenster uit Coursan. Bij dat werk kwam er iets uit de steen. Volgens de ene overlevering zat het perkament in een flesje in het kapiteel van een baluster, volgens de andere in een holte van de oude pilaar. Saunière gaf afschriften aan de gemeenteraad; die verbrandden in de jaren tien met het gemeentehuis. Niemand weet nog wat erop stond.

2 Geld als water

Vanaf 1891 leek de armoede voorbij. Saunière liet zijn kerk helemaal opnieuw inrichten, klaar in 1897: felle kleuren, reliëfs, heiligenbeelden die hij bij een Toulouseaanse beeldenfabriek uit de duurste rij van de catalogus koos. Boven de deur liet hij in het Latijn zetten: «Terribilis est locus iste», ontzagwekkend is deze plaats, een regel uit de liturgie. Links van de ingang draagt een gevleugelde duivel de wijwaterbak; de naam Asmodee kreeg dat beeld pas veel later, van schrijvers.

Daarna kwam de rest. In 1898 kocht hij zes percelen, op naam van zijn dienstmeid Marie Denarnaud. Vanaf 1901 bouwde Élie Bot hem een villa, Béthanie gedoopt en klaar in 1902; op de rand van de helling verrees de Tour Magdala, een neogotisch torentje voor zijn bibliotheek. In de tuin kwamen een serre en een dierenverblijf met apen en ara’s. In 1906 was het bouwen gedaan. Er kwamen gasten van ver, onthaald op wat men in dit dal niet kende.

Het dorp keek toe en fluisterde. Men zag de pastoor bij nacht in het kerkhof graven; in maart 1895 schreef de gemeenteraad twee klachtbrieven aan de prefect. Ook de bisschop wilde weten waar het geld vandaan kwam. Saunière weigerde: hij kon zijn weldoeners niet verraden. In 1909 werd hij overgeplaatst naar Coustouges, ver in de bergen; hij weigerde te gaan. In december 1910 schorste het kerkelijk gerecht hem a divinis. Hij bleef in het dorp en droeg de mis op in zijn eigen villa. Toen hij in januari 1917 stierf, was zijn bibliotheek verkocht en waren zijn gebouwen belast met hypotheek.

3 Wat de kasboeken zeggen

De bisschop had gelijk, en de papieren van de pastoor bewijzen het. Eind 1898 zocht Saunière een adresboek van de Franse geestelijkheid; in 1899 had hij het. Voortaan gingen er brieven het hele land door, met de vraag om giften en om misintenties. Een priester mocht ten hoogste drie missen per dag opdragen; Saunière nam er tientallen aan. Er kwam zoveel post dat het postkantoor het bestellen opgaf en hij zijn zakken zelf ging halen aan het station van Couiza.

Zijn kasboeken klimmen van ruim drieduizend goudfranken in 1895 naar dertienduizend in 1899, tot een record van vijfentwintigduizend in 1901 — gemiddeld twaalf keer het inkomen van een dorpspastoor. Naar schatting ging het om honderdduizend misintenties tussen 1893 en 1915, tegen één tot vijf frank per stuk. Daarnaast kwam er geld uit royalistische kringen, bemiddeld door zijn broer Alfred. Al in de jaren dertig kwam de Carcassonnese onderzoeker René Descadeillas op precies dat antwoord uit: handel in missen.

De schat kwam pas daarna. Noël Corbu, die het domein erfde van Marie Denarnaud, maakte er in de jaren vijftig een hotel van en vertelde de pers over miljoenen in goud; drie artikelen in La Dépêche du Midi van januari 1956 brachten dat de wereld in. Kort erop verscheen Pierre Plantard, die valse stukken in de Nationale Bibliotheek liet belanden en in 1956 een genootschap oprichtte dat hij de Priorij van Sion noemde. De beroemde perkamenten uit het boek van 1967 waren gemaakt door zijn vriend Philippe de Chérisey. Marie Denarnaud had het nuchter gezegd: de mensen zullen u vertellen dat mijnheer pastoor een schat vond, maar dat is niet waar.

Bron: Archief van het bisdom Carcassonne en van de gemeente Rennes-le-Château; kasboeken en briefwisseling van Bérenger Saunière; het onderzoek van René Descadeillas; artikelen in La Dépêche du Midi (januari 1956).
Wist je dat? Rennes-le-Château telde in 1851 nog 474 inwoners; vandaag zijn het er nog geen honderd. Het dorp ligt op een rotspunt boven de vallei van de Aude, op de plek van een oude vestingnederzetting die in de bronnen Rhedae heet, ooit de hoofdplaats van het Razès. Omdat schatzoekers straten, tuinen en kerkhofmuren begonnen te ondergraven, vaardigde de burgemeester in juli 1965 een verbod op wild graven uit; dat verbod geldt nog altijd. De kerk staat sinds 1994 op de lijst van historische monumenten, en de duivel die er de wijwaterbak draagt is in de loop der jaren meermaals vernield.
Heimweer Heimweer

Heimweer.be — Europees Erfgoed Bewaard