De Schimmelreiter van de Noordfriese dijken
Wie bij stormweer over de dijken van Nordfriesland loopt, hoort het oude verhaal nog altijd: vlak voordat een dijk breekt, jaagt een spookachtige ruiter op een witte schimmel over de kruin, als een waarschuwing uit de andere wereld. Theodor Storm, geboren in Husum, de «grijze stad aan de zee», goot deze Noordfriese overlevering in 1888 in zijn beroemde novelle «Der Schimmelreiter» — het verhaal van deikgraaf Hauke Haien, die zijn leven aan de dijk gaf en sindsdien geen rust vindt.
1 De ruiter op de witte schimmel
De sage is ouder dan de novelle. Al eeuwen vertelden de mensen aan de Noordzeekust dat er langs de dijken een ruiter waakt die alleen verschijnt wanneer onheil dreigt. Wie hem in een stormnacht over de dijk ziet jagen, donker tegen de jachtende wolken, met wapperende mantel op een mager wit paard, weet dat de zee die nacht een gat in de dijk zal slaan. Op de plek van de komende breuk stort de ruiter zich met paard en al in het kolkende water — en verdwijnt.
Storm zelf vertelde dat hij het verhaal als jongen had gelezen in een oud tijdschrift bij zijn overgrootmoeder. Onderzoekers vonden de bron later terug: het stuk «Der gespenstige Reiter» uit het Danziger Dampfboot van 1838, een sage die oorspronkelijk aan de Weichsel speelde. Storm verplaatste de spookruiter naar de kwelders en kogen van zijn Noordfriese thuisland, waar de strijd tegen de zee het leven van elke generatie bepaalde.
2 Hauke Haien, de deikgraaf
In de novelle krijgt de ruiter een naam en een leven. Hauke Haien, zoon van een landmeter, leert zichzelf als kind meetkunde uit een Nederlandse Euclides en zit urenlang op de dijk te kijken hoe de golven aan het land vreten. Eén gedachte laat hem niet los: de dijken zijn te steil, ze breken omdat ze de zee willen tegenhouden in plaats van haar te laten uitrollen. Als knecht komt hij in dienst van de oude deikgraaf, trouwt met diens dochter Elke en wordt na de dood van de oude man zelf deikgraaf.
Tegen alle weerstand van de dorpelingen in bouwt hij een nieuwe dijk met een zacht glooiend profiel, die een hele koog aan de zee ontrukt. Maar het volk wantrouwt hem. Hij rijdt op een witte schimmel die hij van een vreemde marskramer kocht — en sinds die dag, fluisteren de knechten, is het paardengeraamte dat op de hallig Jeverssand in de maneschijn lag, spoorloos verdwenen. De schimmel, zeggen ze, is de duivel zelf. En wanneer Hauke verhindert dat er naar oud gebruik een levende hond in de nieuwe dijk wordt begraven, weet het dorp het zeker: deze deikgraaf tart God en zee tegelijk.
3 De stormvloed en de eeuwige wacht
In een oktobernacht komt de grote stormvloed. Hauke, verzwakt door ziekte, heeft toegelaten dat de oude dijk maar half hersteld werd — zijn enige zwakte, en die wordt hem fataal. Waar oude en nieuwe dijk elkaar raken, slaat de zee een gat. Vanaf zijn schimmel ziet Hauke hoe zijn vrouw Elke en zijn dochtertje Wienke, die hem in de storm tegemoet zijn gereden, door de golven worden verzwolgen. Dan geeft hij zijn paard de sporen en springt met een laatste kreet — «Heer God, neem mij; spaar de anderen!» — in het kolkende gat. De nieuwe dijk houdt stand.
Sindsdien, zo vertelt men in Nordfriesland, doet Hauke Haien eeuwig de ronde. Voor elke stormvloed jaagt de Schimmelreiter langs de dijken en waarschuwt de levenden dat de zee komt. Storm schreef de novelle in zijn laatste levensjaar, al ziek, en enkele maanden na de verschijning in april 1888 stierf hij. Zijn spookruiter leeft voort: in schoolboeken, in films, en aan de kust zelf, waar een echte polder de naam Hauke-Haien-Koog draagt. Wie vandaag bij westerstorm over de dijk bij Husum loopt, kijkt onwillekeurig toch even om.
Vie FelineKattengedrag en vachtverzorging
Heimweer.be — Europees Erfgoed Bewaard


