Richmodis von Aducht en de schimmels van de Neumarkt
Aan de Neumarkt in Keulen steken twee witte paardenhoofden uit het venster van een oude toren. Wie omhoog kijkt naar de Richmodisturm, ziet ze daar al eeuwen staan — stille getuigen van een van de beroemdste legenden van de stad. Het is het verhaal van Richmodis von Aducht, de patriciërsvrouw die tijdens de grote pest schijndood werd begraven, ’s nachts in haar graf ontwaakte en in haar doodskleed terugkeerde naar de deur van haar eigen huis.
1 De pest in Keulen
In het midden van de veertiende eeuw trok de pest door de straten van Keulen. De overlevering plaatst het verhaal in het jaar 1357, toen de ziekte hele huizen leegmaakte en de doodsklokken van de ene kerk na de andere luidden. Aan de Neumarkt woonde toen de rijke patriciër Mengis von Aducht met zijn vrouw Richmodis, die uit het aanzienlijke geslacht Von Lyskirchen stamde. Hun huis met de hoge toren was een van de statigste van de stad, en in de stal stonden twee prachtige schimmels waarop Mengis bijzonder trots was.
Ook Richmodis werd door de ziekte getroffen. Na enkele dagen van koorts lag zij bleek en roerloos op haar bed, en men verklaarde haar dood. Omdat de doden in pesttijden snel begraven werden, legde men haar nog diezelfde dag in een eenvoudige kist en droeg men haar naar het kerkhof van de kerk St. Aposteln, vlak bij de Neumarkt. In de haast — of uit verdriet — vergat men de gouden trouwring van haar vinger te nemen. Zo daalde Richmodis met haar ring in het graf.
2 De grafrovers
De doodgravers hadden de ring wel gezien. Toen het nacht werd, slopen zij met een lantaarn en een spade terug naar het verse graf. Zij groeven de kist op, braken het deksel open en grepen naar de hand van de dode om de gouden ring los te trekken. Maar op dat ogenblik sloeg Richmodis de ogen op. Zij was niet gestorven: de ziekte had haar slechts in een diepe schijndood gestort, en de ruk aan haar vinger had haar gewekt.
De grafrovers stoven gillend uiteen en lieten lantaarn en spade liggen. Richmodis richtte zich op, klom bevend uit het graf en nam de lantaarn. In haar witte doodskleed liep zij door de donkere, uitgestorven straten naar de Neumarkt, naar haar eigen huis. Daar klopte zij op de deur en riep dat men haar moest binnenlaten: zij was het, Richmodis, de vrouw des huizes.
3 De schimmels in de toren
Een knecht opende het luik, zag de witte gestalte in het lantaarnlicht en rende doodsbang naar zijn heer. Mengis von Aducht schudde het hoofd: zijn vrouw lag immers begraven bij St. Aposteln. «Eerder klimmen mijn schimmels de trap op en kijken zij uit het torenvenster,» riep hij, «dan dat mijn Richmodis daar levend voor de deur staat!» Nauwelijks had hij die woorden gesproken of er klonk gestommel uit de stal. De twee schimmels rukten zich los, stormden de wenteltrap van de toren op en staken hun hoofden uit het bovenste venster.
Toen begreep Mengis dat er een wonder was gebeurd. Hij vloog de trap af, opende de deur en sloot zijn doodgewaande vrouw in de armen. Richmodis herstelde volledig; volgens de overlevering leefde zij nog vele jaren en schonk zij haar man meerdere kinderen. Uit dankbaarheid liet Mengis twee houten paardenhoofden in het torenvenster plaatsen, opdat niemand het wonder ooit zou vergeten.
De legende werd eeuwenlang doorverteld, opgetekend door de Keulse geschiedschrijver Aegidius Gelenius en later door Ernst Weyden in zijn verzameling Keulse sagen uit 1826. Wie vandaag over de Neumarkt loopt, ziet aan de Richmodisturm nog altijd twee witte paardenhoofden uit het venster kijken — en wie het verhaal kent, hoort in gedachten de hoefslagen op de wenteltrap.
Vie FelineKattengedrag en vachtverzorging
Heimweer.be — Europees Erfgoed Bewaard


