De berggeest van het Ertsgebergte
Freiberg ligt aan de noordrand van het Ertsgebergte, tussen Dresden en Chemnitz. In 1168 werd bij het dorp Christiansdorf zilvererts gevonden, en binnen twee decennia groeide op die plek een stad uit het bos. Onder die stad lag een tweede stad, van gangen en schachten. Daar, in het donker, ontstonden de vertellingen die de mijnwerkers van het Ertsgebergte elkaar eeuwenlang doorgaven — over de Berggeist, en vooral over de reus in de pij die met brandende ogen door de gangen liep.
1 De vrije berg
De markgraaf van Meissen liet in de jaren 1150 aan de rand van het bos enkele boerendorpen aanleggen. In een daarvan, Christiansdorf, kwam in 1168 zilvererts aan het licht. De markgraaf zorgde dat het recht op de bodemschatten bij hem lag, en beloofde tegelijk vrijheden aan wie kwam graven: persoonlijke vrijheid, vrijstelling van allerlei herendiensten, en het recht om tegen een afdracht zelf naar erts te zoeken. Uit die bergvrijheid komt de naam Freiberg, de vrije berg.
Binnen twee decennia stond er een stad. In de hoge middeleeuwen was Freiberg de grootste plaats van de mark Meissen; het zilver mocht alleen aan de markgrafelijke munt worden verkocht en maakte Sachsen welvarend. Het Freiberger stads- en bergrecht, voor het eerst genoemd in 1233, werd vanaf 1307 in geschreven vorm toonaangevend voor het hele Ertsgebergte.
Wie in de schacht afdaalde, ging een wereld binnen zonder daglicht, met een klein olielampje aan de gordel en het geluid van de eigen houweel als enige maat. Niemand kon van tevoren zeggen of een gang op erts zou uitkomen of op dood gesteente. Uit die onzekerheid groeide de groet die de mijnwerkers elkaar tegen het einde van de zestiende eeuw begonnen te geven: «Glück auf» — moge er een ader opengaan.
2 De monnik in de gang
Berggeist, berggeest, is in het Ertsgebergte de verzamelnaam voor alles wat men zich onder de grond voorstelde. De bekendste gedaante is de Bergmönch: een reus in een zwarte pij, zo groot dat hij gebukt door de gangen moest, met twee brandende grubelampen in plaats van ogen. Wie hem tegenkwam, zag eerst die twee lichten naderen en pas daarna de kap.
De monnik lette op hoe er gewerkt werd. Wie zijn maat eerlijk hielp, niets achterhield en de berg met eerbied behandelde, kon een wenk krijgen: een klop op een bepaalde plek in de wand, of een licht dat een zijgang in draaide. Wie daarheen ging, stond voor een rijke ader. Maar wie in de gang vloekte, wie floot, of wie de zondag niet hield en toch ging delven, verging het anders. Zulke mijnwerkers raakten de weg kwijt in gangen die ze op hun duimpje kenden, of zagen de ader onder hun handen verlopen tot er niets dan taai gesteente overbleef.
Naast de monnik kende men de Bergmännchen, de kobolds van de mijn: kleine grijsaards ter grootte van drie spannen, in het werkpak van de mijnwerker met kapmantel en leren zitlap. Meestal bleven ze onzichtbaar en hoorde je alleen hun hameren — en waar zij hamerden, zat erts. Kwaad waren ze niet; hun aanwezigheid gold juist als een goed voorteken. Wel hielden ze van een grap: verlegd gereedschap, gelach uit een lege gang, een steentje tegen de helm. Wie hen uitschold, kreeg soms een hele tijd niets meer te horen.
3 Wat de verhalen bedoelden
Dit is geen geschiedenis, en de vertellingen doen ook niet alsof. Het is werkverhaal en volksgeloof, opgetekend door mensen die het bedrijf van binnenuit kenden. De geleerde Georgius Agricola, stadsarts in Sankt Joachimsthal en Chemnitz, beschreef de berggeesten in 1549 in zijn boek over de ondergrondse wezens en onderscheidde daarbij uitdrukkelijk de kwaadaardige van de goedmoedige. De predikant Johannes Mathesius nam ze in 1562 op in zijn bergpreken, en in de negentiende eeuw verzamelde J.G.Th. Grässe de Saksische versies.
Wat in die verhalen zit, is de regel van het vak. Mijnbouw was gevaarlijk werk dat volledig op samenwerking dreef. Niet vloeken en niet fluiten kwam er in een gang met open licht op neer dat je stil bleef en luisterde; de zondag houden betekende rust nemen; eerlijk delen hield de ploeg bijeen. Wie zulke regels in een verhaal giet, met een reus die meekijkt, hoeft ze niet elke dag opnieuw uit te leggen.
In Freiberg staat de stad die uit dat werk is voortgekomen nog overeind. De Dom St. Marien bewaart de Gouden Poort, een laatromaans zandstenen portaal van omstreeks 1225, en twee orgels van Gottfried Silbermann, waarvan het grote uit 1710-1714 zijn eerste grote werk was. De Bergakademie, gesticht in 1765, is de oudste nog bestaande berg- en hutteschool ter wereld. Op de zaterdag voor de tweede advent trekt de bergparade in gala-uniform door de straten, zoals dat overal in het Ertsgebergte gebeurt. En sinds 2019 staat de mijnbouwregio op de werelderfgoedlijst van UNESCO.
Vie FelineKattengedrag en vachtverzorging
Heimweer.be — Europees Erfgoed Bewaard


