Het beest van Staneux
Tussen 1687 en 1693 voelden de inwoners van de hamletsen rond Staneux een angst groeien. Een beest—wild, groot en onvoorzienbaar—joeg op hun vee en veroorzaakte nachtmerries.
1 De eerste nacht
Het begon in het voorjaar van 1687. Een herder genaamd Piron verloor twaalf van zijn schapen in een nacht—niet aan ziekte, maar aan iets dat ze had gegrepen.
Piron vond voetsporen: groot, zoals van een wolf, maar groter. En het teken van tanden—niet van een hond, niet van een wolf, maar iets ertussenin.
Hij waarschuwde de anderen. Niemand geloofde hem totdat de volgende nacht tien meer schapen verdwenen van een ander veld.
2 De jacht
De boeren van Staneux organiseerden jachtpartijen. Ze volgden de sporen door het bos, steeds dieper.
Wat ze vonden, maakte hun bloed stollen. Skeletten van dieren—herten, wilde zwijnen, zelfs beren—allemaal half opgegeten. En overal die voetstappen: groot, langzaam, methodisch.
Drie keer zagen jagers het beest zelf: een wolfsachtige gedaante, grijs van kleur, met een vorm die geen dier kon hebben. Eenmaal schoot een jager op het beest—een kogel raakte het zeker—maar het beest verdween in de mist alsof het onkwetsbaar was.
3 Het verdwijnen
In maart 1693 stopte de slachterij plotseling. Het beest verdween, als zou het zijn voedsel hebben bereikt en nu geen trek meer hebben.
Jagers die dieper het bos ingingen, vonden niets. Wel zeiden ze dat ze, in de stilste uren van de nacht, diep in de wouden, een geluid hoorden als van diepe ademnood—het gesnuif van iets enorms dat sliep.
De boeren bouwden hekken rond hun weilanden. Het beest verscheen nooit meer. Maar oudere men uit Staneux zeggen dat het er nog steeds is, ergens in de diepste bossen, wachtend.
Vie FelineKattengedrag en vachtverzorging
Heimweer.be — Europees Erfgoed Bewaard


