Het Betoverde Hospitaalhof
Op de baan van Elverdinge naar Vlamertinge, op het gehucht dat ze De Seule noemden, stond een grote boerderij die toebehoorde aan de graaf de Lobbepain van Elverdinge. Het was een mooi hof, met brede stallingen en vruchtbare grond, maar geen pachter die er geluk kende. Ze noemden het ’t Hospitaalhof, en dat was geen naam die vertrouwen wekte.
1 De vervloekte hoeve
Het was het ene ongeluk na het andere op ’t Hospitaalhof. Elke boer die erop kwam, werd uitgeschud — of hij nu wrochtte of niet, het was altijd dezelfde tegenslag. Pest onder de beesten, cholera in de stal, oogsten die verrotten op het veld. De ene pachter na de andere verliet het hof in de krotte, armer dan hij gekomen was.
Kwam er een nieuwe pachter, dan was het weer hetzelfde. De mensen in Elverdinge zeiden allemaal: “Die hoeve is betoverd. Er zit daar een kwade geest in, een heks, het kan niet anders. Het zijn allemaal goede werkers geweest op dat hof, en ze varen allemaal zo.”
Uiteindelijk wilde niemand er meer op, en het Hospitaalhof stond leeg.
2 Nonkel Gust
Aan de overkant van de weg stond een klein hofsteetje, een hoeve van één paard, die ook aan de familie Lobbepain toebehoorde. Daar boerde nonkel August Vermeersch, een stille man die meer deed dan hij zei. Smith, de toezichter van de graaf, had hem daar laten beginnen, en de graaf zelf had opgemerkt dat Gust een goede boer was.
Op een dag kwam de graaf persoonlijk naar Gust toe: “Gust,” zei hij, “ik weet dat ge een goede boer zijt en ge zoudt mij een voldoening doen. Zou ge niet willen gaan op het groot hof? Dat staat al zo lang leeg en niemand wil er nog op.”
“Ja maar, meneer,” zei nonkel, “ge weet ook wel dat ze betoverd is.”
“Tut, tut,” zei de graaf. “Gust, ga ernaar toe en ge moogt boeren voor drie jaar, gratis, zonder pacht te betalen. Ge kunt zien wat het is.”
Nonkel dacht na, en hij ging.
3 De zuivering
Gust mocht doen met het hof wat hij wilde, en hij pakte het aan op zijn eigen manier. Hij kuiste de hele boerderij van boven tot beneden, waste de stallingen uit, ontsmette alles wat ontsmet kon worden. Maar dat was niet genoeg — Gust was een praktisch man, maar hij was ook een man van de streek, en hij wist wat het volk geloofde.
Hij pakte een aarden schotel en maakte een mengeling van paardenhoorn — hoorn van hun hoeven, fijngeraspt — met sulfer. Daar deed hij wat petrolie bij en een wiek erin. Toen deed hij alle deuren en vensters dicht, plakte ze af, en liet het branden.
De rook was dik en geel en rook naar iets dat niet van deze wereld leek, en de buren stonden op afstand te kijken en te mompelen. Maar Gust liet het branden tot de schotel leeg was en de rook door alle kieren naar buiten was gekropen.
4 Het nieuwe begin
Daarna deed Gust de deuren open, luchtte het hof drie dagen, en begon te boeren. En het ging. De beesten werden niet ziek, de oogst kwam binnen, de melk was goed. Wat geen enkele pachter voor hem had gekund, lukte Gust, en na drie jaar betaalde hij de graaf de volle pacht, want hij had het niet meer nodig om gratis te werken.
Was het de zuivering die het had gedaan? Was het de paardenhoorn en het sulfer die de kwade geest hadden verdreven? Of was het gewoon dat Gust de stallingen grondig had gereinigd en de ziektekiemen had gedood die al die jaren van pachter op pachter waren overgegaan?
In Elverdinge maakt het niet uit welk antwoord je geeft. Wat telt is dat nonkel Gust het Hospitaalhof heeft gered, op zijn manier, en dat het hof nooit meer leeg heeft gestaan. En als iemand in de streek zegt dat er een kwade geest op zijn erf zit, antwoordt men: “Doe gelijk Gust — pak de paardenhoorn.”
Vie FelineKattengedrag en vachtverzorging
Heimweer.be — Europees Erfgoed Bewaard


