Shield
Zoutleeuw, Limburg

De Spinnende Begijn van Zoutleeuw

Tier 0+ - Publiek 4 min Spookverhaal
Flag
Advertentie
OthalaOthalaHandgebouwde websites die je zelf bezit

Op het begijnhof van Zoutleeuw spookte het. In het donker voor zonsopgang verscheen een gedaante, spinnen en mompelend, als een echo uit een voorbij tijd. En in die vreemde verschijning lag een verhaal van liefde, schuld en vervloekte rijkdom verborgen.

HW HW

1 Het nachtelijk spook

’s Morgens heel vroeg, wanneer het nog donker was — in die urenstussen slaap en wakker zijn, tussen nacht en dag — zag boer Jan iets bewegen op het begijnhof. Hij was op weg naar zijn arbeid, een mand graan onder zijn arm, toen hij het eerst opmerkte. Een gedaante, doorzichtig als ochtendmist, spinnen aan een wieltje.

Het spook — want wat anders kon het zijn — spinnen, spinnen voort, alsof honderd jaar niet waren verstreken. Het wieltje draaide rond, rond, rond, en er klonk een geluid als van scheepslijnen die langs elkaar glijden. De wol werd dunner, fijner, mooier.

Jan bleef staan, bevriend. Zijn hand greep naar de revolver aan zijn riem — alsof kogels iets zouden helpen tegen een geest. En toen hoorde hij het geluid van een stem, oud en pijnlijk, zingend terwijl het spook werkte: ‘Ik ben nog een begijn, en draai mijn wielken wonderfijn.’

2 De ontmoeting met het spook

Verschrikt riep Jan: ‘Maak dat je wegkomt, of ik schiet!’ Zijn stem was scherp en bevend. De begijn zweeg niet. In plaats daarvan richtte zij zich op, haar gezicht sidderend in het schemerlich, en ze antwoordde met een stem als gebarsten klokgelui:

‘Wie zal mij toch beletten hier mijn wieltje neer te zetten. Honderd jaar geleden heb ik dit hof gesponnen en met dit wieltje mijn brood gewonnen.’

Jan zei: ‘Ik wil weten wie jij bent, vanwaar jij komt en wat jij hier doet!’ De begijn lachte, een geluid als knarsen van ijzeren deuren.

‘In deze grond heb ik mijn beurs verborgen,’ zei zij. ‘Ik blijf ze zoeken, al was het tot morgen. Honderd jaar lang heb ik gezocht, elke nacht, elke nacht. Mijn geld, mijn ellende, mijn laatste hoop — alles verborgen onder deze grond. Niemand zal mij ervan afhouden.’

3 De vernietiging van het spook

Jan voelde woede opkomen in zijn borst — woede om het nachtelijkste ongenoegen dat hij voelde. Hij nam zijn stok en sloeg ernee naar de begijn. De klap was massief, krachtig, maar voelde aan als het slaan op mist.

De begijn viel. Zomaar weg. Alleen achtergebleven: een bundel zwarte kleren, donker en vergaan, en een bussel stro in de vorm van een menselijk lichaam. Het wieltje lag enkele meters verderop, ongeschonden, als iets dat eeuwen had wacht.

Jan stond perplex. Hij waagde zich dichterbij. Op het wieltje stonden oude woorden gekrast, verbleekt door tijd en weer. Met bevende vingers las hij ze voor:

‘Wie zal mij toch beletten / Hier mijn wieltje neer te zetten, / Ik ben nog eene oude begijn / En draai mijn wieltje wonderfijn. / Over honderd jaar heb ik dit hof gesponnen / En met dit wieltje mijn brood gewonnen / Och Heer, waar is nu mijn oude cel / Z’is afgebroken, ik peisde het wel / In dezen grond heb ik mijne beurs verborgen / Ik blijf ze hier zoeken al was’t tot morgen.’

4 De waarheid onthuld

Later, naar aanleiding van deze vreemde gebeurtenis, zochten de mensen op het begijnhof naar meer informatie. In de oude archieven van het klooster vonden zij vermeldingen van begijnen uit voorbij eeuwen. Daar was zij: “Zuster Margherita, begijn, overleden in ’t jaar 1643, waarvoor geen lijkplechtigheden bekend zijn.”

Zuster Margherita was haar naam geweest. Zij had honderd jaar lang op het begijnhof gewoond, en haar hele leven aan het spinnen gewijd. Geruchtmakend geld had zij gespaardheid, zegde men, begraven onder de grond van het hof. Maar toen zij stierf, verdwenen alle sporen van dit geld. Niemand kende de plaats waar het was verborgen.

En misschien, dachten de mensen, was het de schuld die haar vasthield aan dit oord. Schuld en geldgewin. De schuld dat zij haar geld niet met de kerk had gedeeld, niet met de armen. Schuld dat zij het wilde bewaren voor zichzelf, zelf lang nadat haar lichaam was vergaan.

Ze vonden het geld nooit. Maar op die plek waar het wieltje lag, en waar de kleren waren achtergelaten, plantten zij later een kruis. En de menschen zeggen dat Zuster Margherita’s geest sinds die dag niet meer is gezien. Alsof het slog van Jan’s stok haar eindelijk had bevrijd van haar eeuwig zoeken.

Bron: Vlaamse Volksoverlevering, Zoutleeuw, ID: 25393
Wist je dat? Zoutleeuw is beroemd om zijn middeleeuwse Sint-Leonarduskerk, waarvan het interieur als één van de meest volledige middeleeuwse kerkinterieurs van België wordt beschouwd. Het begijnhof is een belangrijk cultuurhistorisch erfgoed.
Heimweer Heimweer

Heimweer.be — Europees Erfgoed Bewaard